Poerim, (Ester 9:26) Joods wraakfestijn in Perzië

Bijbelvast, iedere zondag

Op de zondag geen profane boodschappen. Dan lezen we uit De Heilige Schrift, Het Boek waarop de Westerse beschaving rust. In de week van Poerim en de door Israël gelanceerde oorlog tegen Iran lezen we het Bijbelboek Ester. De intrigant Haman weet het Perzische hof zo ver te krijgen om een brief door het rijk te sturen om alle Joden op te ruimen, het ‘verdelgingsdecreet.’

Na ontmaskering van Haman als spion voor de Macedoniërs (Alexander de Grote cs) krijgen de Joden zélf vrij spel, en slachten zij 75 duizend belagers af. Haman en zijn zonen worden aan een paal ‘opgehangen’, dus gespietst. Die dag vieren de Joden tot vandaag als Poerim. Poer betekent ‘lot’, het idee dat God het lot omkeerde ten gunste van zijn uitverkoren volk.

Iraniërs willen ook bevrijd worden van de Islam en weer Perzisch zijn

“Eén volk verspreid onder de volken in alle gewesten”
De intrigant Haman weet de koning van Perzië tot het verdelgingsdecreet te bewegen. Dat staat in de Septuagint (Griekse bijbelvertaling Oude Testament) als 3B beschreven, maar komt niet voor in de Statenvertaling. De Statenvertaling verwoordt het zo (Esthwr 3 vers 7 tot 11):

In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het ‘pur’, dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, tot de twaalfde maand, dat is de maand Adar.

Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan die van alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten.

Als het de koning goeddunkt, laat er dan geschreven worden dat men hen ombrengt. Dan zal ik tienduizend talent zilver afwegen op de handen van hen die het werk doen, om die naar de schatkist van de koning te brengen.

Toen nam de koning zijn zegelring van zijn hand en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden.
En de koning zei tegen Haman: Laat het zilver u geschonken zijn, en het volk, om daarmee te doen wat goed is in uw ogen.

Joden en christenen hebben een dubbelzinnige verhouding tot elkaar

“Dit volk staat voortdurend met iedereen op gespannen voet”
De Septuagint vermeldt het Verdelgingsdecreet in Ester 3B (Ester zonder H), met deze beschrijving van hoe de Joden onder andere volken leven:

(Haman heeft ons onder ogen gebracht dat), dat zich onder alle stammen van de wereld een kwaadwillig volk verspreid heeft, dat door zijn tegenover elk ander volk staat en de verordeningen van de koning doorlopend met minachting bejegent, met het gevolg dat er afbreuk wordt gedaan aan het door ons zo onberispelijk gevoerde beleid.

Wij hebben inderdaad vastgesteld, dat dit volk, en alleen dit volk, voortdurend met iedereen op gespannen voet staat, en zich apart houdt door volgens vreemde wetten te leven, afkerig is van ons bestuur en de zwaarste misdaden bedrijft, zodat ons koninkrijk niet tot stabiliteit kan geraken.

Dat leest bijna als de berichtgeving van het NOS Journaal over Israël. Hoe het ook zij, Mordechai ontdekt het moordplan. Hij heeft een eigen goede connectie met de koning via zijn nichtje Esters. Die was eerder tot ’s Konings liefje geworden, als een meisje in de Perzische harem beheerd door de Eunuch (gecastreerde man) Hege.

Via het mooie meisje heeft Mordechai vervolgens een kort lijntje richting de Koning.

Vandaag- zondag lezen we uit de Bijbel

“De Joden zaaiden dood en verderf”
Na een dreigement door Mordechai gaat Ester naar de koning. Dan wordt uiteindelijk het hele verdelgingsplan omgekeerd. Niet de Joden, maar de mensen die hun willen ombrengen worden allen afgemaakt. Er komt een ‘anti-decreet’  8F in Ester: dat draagt alle volken onder Perzisch bestuur op het juist voor de Joden op te nemen.

Dat eindigt uiteindelijk in de instelling van Poerim nadat de Joden 75 duizend belagers afmaken in Esther 9, zich drenkend in bloeddorst (Esther 9 vers 5-10 in Statenvertaling)

De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en zaaiden dood en verderf, en zij deden met hun haters naar hun goeddunken.
In de burcht Susan hebben de Joden vijfhonderd man gedood en omgebracht.
En ook Parsandatha, Dalfon, Asfata,Poratha, Adalia, Aridatha, Parmastha, Arisai, Aridai en Vaizatha,
de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de tegenstander van de Joden, doodden zij, maar ze staken hun hand niet uit naar de buit.

Het finale offer

Het uitverkoren volk krijgt de vrije hand in Perzië iedereen af te maken. En dat vieren ze vervolgens als ‘een dag van blijdschap’ (vers 17-19):

Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend man, maar zij staken hun hand niet uit naar de buit.
Dit gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende daarvan rustten zij, en zij maakten die tot een dag van maaltijden en blijdschap.

En de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende en op de veertiende van die maand en zij rustten op de vijftiende ervan en zij maakten die tot een dag van maaltijden en van blijdschap.

Dat is dus de oorsprong van Poerim. De oorsprong van Passcha is de viering dat de doodsengel alle eerstgeborenen van de Egyptenaren afmaakte, maar bij hun voorbij ging, passover. Wat een verschil met de boodschap van het christendom, dat vergeving predikt voor alle volkeren – ongeacht hun ras- die Christus aannemen als hun Verlosser.

  • Heb een goede zondag

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *